De ware mens is geen werktuig of de zaak van de woedende winkelier

Bertus Aafjes, Een ladder tegen een wolk, Amsterdam 1969


Op zekere dag verscheen er een vrouw voor Ooka en vroeg hem met tranen in de ogen om raad. Zij knielde op de mat voor de rechter en sprak: ‘Mijn man…’

Ooka onderbrak haar onmiddellijk. ‘Gij weet dat een Japanse vrouw geen klacht tegen haar man mag indienen?’ De vrouw boog eerbiedig en raakte met haar voorhoofd bijna de rieten mat aan.

‘Ik wil geen klacht tegen mijn man indienen, edelachtbare,’ sprak zij toen. ‘Ik heb hem niets te verwijten. Het gaat om Zensoeke, onze zoon. Mijn man…’

Rechter Ooka knikte bemoedigend.

‘Mijn man heeft Zensoeke in dienst gedaan bij zijn oudere broer, de ijzerhandelaar Tarobei.’

‘Ik ken hem,’ sprak Ooka. ‘Een voortreffelijk man, al wordt hij wel eens wat al te gauw woedend. Maar brokaat blijft brokaat, al heeft het een scheur,’ voegde hij er verontschuldigend aan toe.

De vrouw scheen Ooka’s opmerking niet gehoord te hebben. ‘Mijn man heeft Zensoeke in dienst gedaan bij zijn oudere broeder,’ herhaalde zij. ‘Hij is nu voor de derde dag bij hem in dienst. En reeds tweemaal is Tarobei in vreselijke woede ontstoken. Eergisteren wierp hij Zensoeke een pollepel naar het hoofd. Gisteren wierp hij de jongen woedend een ijzeren vuurpot achterna. Misschien is Zensoeke wel wat onhandig, edelachtbare. Maar hij is pas elf jaar. Tarobei heeft een overeenkomst met mijn man gesloten dat Zensoeke tien jaar bij hem in dienst zal blijven. Drie dagen geleden is hij zijn loopbaan begonnen als leerjongen. Maar wat zal er in de toekomst niet nog voor vreselijks gebeuren als er reeds in twee dagen tijds zoveel is voorgevallen?’

Rechter Ooka dacht na. ‘Dit is een moeilijke zaak,’ zei hij. ‘Uw man kan als jongere broer zijn oudere broer nu eenmaal niet ter verantwoording roepen. Tarobei is een man die gemakkelijk in woede ontsteekt. Maar woede is niet strafbaar. En men kan geen deuren aanbrengen op de mond van anderen, zoals onze voorouders reeds zeiden. Ik zal met hem spreken.’

‘Met Tarobei?’ sprak de vrouw hoopvol.

‘Met Zensoeke,’ sprak rechter Ooka.

‘Maar Zensoeke heeft niets misdaan, edelachtbare,’ riep zij uit.

‘Wilt gij deze zaak aan mij overlaten?’ sprak Ooka streng. De vrouw boog glimlachend. Maar terwijl zij zich weer naar huis haastte mompelde zij: ‘Met Zensoeke spreken! Waarom met Zensoeke spreken als Tarobei zich misdraagt! Rechter Ooka heeft gemakkelijk praten wanneer hij verklaart dat onze voorouders reeds zeiden dat men geen deuren op de mond van anderen kan aanbrengen. Onze voorouders zeiden ook: aan de voet van de vuurtoren is een donkere plek. Rechter Ooka mag dan een wijs rechter zijn, ook hij neemt wel eens een verkeerde beslissing.’

Die middag wandelde rechter Ooka naar een theehuis dat zich tegenover de winkel van Tarobei bevond. Het was een fraai theehuis, en rechter Ooka liet zich thee brengen in een afzonderlijk vertrek, dat zeer stijlvol was ingericht. Hij vroeg de dienares de schuifdeuren een weinig te openen, zodat hij enig uitzicht op de straat genoot zonder zelf gezien te worden.

De dienster, die een kimono met een patroon van witte herfstasters droeg, bracht hem buigend en glimlachend de groene thee.

Herfstasters waren de lievelingsbloemen van de rechter en waarschijnlijk ook van de patroon want een prachtige witte herfstaster in een pot versierde een hoek van het vertrek. Toen de dienster de blik van de rechter zag haastte zij zich hem te zeggen, dat de patroon de aster zelf gekweekt had en dat hij er een eerste prijs mee gewonnen had in een wedstrijd die deze week gehouden was door de kwekers van herfstasters uit de buurt.

Rechter Ooka dronk zijn groene thee en kon niet nalaten de smaak van de eigenaar van het theehuis te bewonderen. In een nis van het vertrek had de man een kunstmatig gekweekte kleine dwergpijnboom neergezet. En naast het dwergpijnboompje, maar in volmaakte harmonie ermee, had hij een wonderlijk gevormde steen in de nis geplaatst. De rechter keek in stille bewondering naar de harmonieuze voorwerpen in het vertrek.

‘Ik heb gehoord…’ zei het dienstertje in kimono, terwijl zij een schaal met zoetigheid voor de rechter plaatste en nogmaals thee in zijn porseleinen kom goot.

‘Geloof slechts de helft van wat gij hoort,’ sprak de rechter, die rustig wilde nadenken, op niet onvriendelijke toon.

Een mens heeft minstens zeven gewoonten, had een Chinese wijze eens gezegd, overwoog rechter Ooka. Sommige van deze gewoonten, bedacht hij, waren moeilijk voor het oog te onderscheiden. Andere waren overduidelijk en men kon ieder ogenblik verwachten er getuige van te mogen zijn. Eergisteren had Tarobei met een pollepel gegooid. Gisteren met een vuurbekken… Op dat ogenblik hoorde de rechter een geweldig tumult buiten het theehuis. Hij sprong onmiddellijk op en was in enkele stappen op straat. Maar daar wachtte hem een onaangename verrassing. Iemand vloog in grote haast tegen hem op en het volgende ogenblik lag hij languit op het straatdek. Terstond echter besefte hij dat hij zich met dit feit geluk mocht wensen. Want een grote ijzeren kookpot suisde over hem heen en rolde bonkend achter hem op het plaveisel, terwijl een krachtige stem riep: ‘Hier dat is voor jou, onhandige nietsnut!’

Rechter Ooka zag nu wie hem ten val gebracht had: het was de kleine Zensoeke. Schuddend met zijn vuist kwam Tarobei op het tweetal toegelopen, maar toen hij zag dat rechter Ooka op het plaveisel lag en dat hij deze bijna met zijn ijzeren kookpot geraakt had, zonk hij op zijn knieën en smeekte om vergeving.

‘Het is niets, Tarobei,’ sprak de rechter. ‘Help mij liever op. Ik wil eens met de jongen hier spreken. Hij is immers bij je in dienst?’

‘Zeker edelachtbare,’ sprak de ijzerhandelaar.

‘Wilt gij mij zijn leerlingovereenkomst eens geven,’ vroeg de rechter.

Tarobei haastte zich de leerlingovereenkomst te halen en overhandigde hem aan de rechter.

‘Luister Zensoeke,’ sprak de rechter. ‘Hier staat dat je voor de duur van tien jaar bij Tarobei in dienst getreden bent. En dat je beloofd hebt je werk naar volle tevredenheid te zullen verrichten.’

Er kwam een brede glimlach op het gezicht van de ijzer- handelaar.

‘Verder lees ik hier,’ vervolgde Ooka, ‘dat je in ruil voor het werk dat je voor je meester verricht, gevoed, gekleed en gehuisvest zult worden. En dat je je de bezitter moogt noemen van alle geschenken die hij je belieft te geven. Wel Zensoeke, dan mag ik je gelukwensen. Neem je nieuwe rijstpot maar vlug in ontvangst en berg hem goed op.’

‘Mijn rijstpot…’ stotterde Zensoeke.

‘Jouw rijstpot zeker,’ knikte rechter Ooka. ‘Je hebt toch wel gehoord wat je meester riep: Hier dat is voor jou. En neem dan ook meteen de pollepel en het vuurbekken die je meester zo vriendelijk is geweest je gisteren en eergisteren toe te werpen.’

En zich tot Tarobei wendend, sprak hij: ‘Je bent wel een gul patroon, Tarobei. Ik moet je ongetwijfeld om je gulheid prijzen.

‘Maar dit alles is minstens ter waarde van honderd geldstukken,’ bracht Tarobei met moeite uit.

‘Daarom moet ik je misschien ook een lichte wenk geven,’ antwoordde Ooka. ‘Als je zo gul blijft, bezit je neef binnen een maand de gehele ijzerwinkel. Schelden kan natuurlijk niemand je verbieden. Al zegt een mens gauw iets onherroepelijks zoals je nu wel gemerkt hebt. De wijze Confucius heeft reeds gezegd: zelfs een wagen met vier paarden kan de menselijke tong niet inhalen.’

Ooka glimlachte minzaam.

De ijzerhandelaar ging beschaamd zijn winkel binnen.

Er wordt verteld dat hij ook daarna het schelden niet laten kon, maar dat hij nimmer meer met enig voorwerp naar Zensoeke gegooid heeft. En dat deze zulk een leerling werd dat hij meehielp de ijzerwinkel van zijn oom tot grote bloei te brengen. Dat rechter Ooka tenslotte, die zijn thee nog niet had uitgedronken, zich wederom naar het theehuis begaf. Toen de dienster hem een verse pot thee bracht, vroeg hij haar om een blad papier en een penseel en in de stilte van het vertrek schreef hij snel de volgende regels op de voorwerpen, die zozeer zijn bewondering wakker hadden geroepen: de dwergpijnboom, de fraai gevormde steen, en de herfstaster die de eerste prijs won;

Kijk in een dwergpijnboom wonen alle pijnbomen. Kijk in een steen ziet een tijdperk ons aan met gesloten ogen. Kijk in de herfstaster, die de eerste prijs won, Zit de ziel van de kweker als een krekel in zijn kooi.

Juist toen hij het gedicht geëindigd had, betrad de dienster het vertrek om de porseleinen kop nogmaals te vullen. ‘Geloof slechts de helft van wat gij hoort,’ hernam de rechter glimlachend het die middag afgebroken gesprek. ‘Maar wat hebt gij gehoord, Lotusbloem?’

Valid XHTML 1.1