“China”, 1928, Vol. 3, nr. 2, pp. 133-147
Eenige opmerkingen omtrent de Shih Ching, het Klassieke Boek der Oden

Plaat uit een Chin. editie van de Shih, waarop eenige dieren zijn afgebeeld, met de versregel waarin zij genoemd worden.
133 De Meester K’ung heeft gezegd: De menschen zijn van Nature nauw verwant; de praktijk evenwel heeft hen van elkaar verwijderd.”
Dit gezegde, waaraan een diepere grond niet ontzegd kan worden, is zeer goed van toepassing op de verhouding van Oost tot West (’t Oosten zij hier hoofdzakelijk tot China beperkt), een verhouding, géén verschil; want is ’t niet absurd, om hier te spreken van een verschil, waar zoo vaak tusschen twee Westerlingen en twee Chineezen onderling een veel grooter verschil wordt aangetroffen dan ooit tusschen een Westerling en een Chinees bestaan heeft? Bij het hooren van de steeds algemeener wordende gemeenplaatsen „never the twain will meet” van Kipling, en „sind nicht mehr zu trennen”, van Goethe, krijgt men den indruk, dat Oosterling en Westerling twee absoluut verschillende wezens zijn, niet alleen in uiterlijk voorkomen, immers geeft het eerste gezegde een algeheele, altijd-geweest-zijnde en altijd-zullende-voortduren scheiding, het tweede de vereeniging van twee verschillende dingen tot één. Beiden, ook ’t laatste, hoewel juist schijnend, moeten m.i. als onjuist worden aangemerkt. Goethe’s woord wijst op een scheiding, die opgeheven is. Inderdaad evenwel was er een eenheid, die echter niet meer zuiver bewaard is.
Het Westersche Intellect aan de Oostersche Intuïtie tegenover stellende, en opmerkende, hoe ’t Vernuft de hooge vlucht van het Gevoel niet volgen kan, terwijl het Gevoel te universeel is, om zich in de fijnere vertakkingen van ’t Intellect te verdiepen, mag toch hieruit geen absoluut verschil geconcludeerd worden. Want hoewel Gevoel en Vernuft bij beiden oorspronkelijk gelijk waren, zijn deze in eerste instantie door de levenscondities, later ook door alle 134 andere uiterlijke omstandigheden, verschillend ontwikkeld. Doch ik kan niet aanemen, dat een van de twee bij Oosterling of Westerling geheel afwezig zouden zijn.
„Sing hsiang chin yeh” — de menschen zijn van Nature nauw verwant. De uitingen van deze Natuur kunnen echter in hoofdzaak, ondanks de invloeden van buiten, welke dan ook, als analoog worden beschouwd. Men kan hen rangschikken onder het „Ewig Menschliche”, dat door alle tijden heen zich geuit heeft in proza en poëzie. De literatuur, hieruit voortkomend, zal uit den aard der zaak even onvergankelijk zijn als de mensch zelf, in theorie althans, de praktische bezwaren als van groei en verandering der taal etc. een oogenblik buiten beschouwing gelaten. Waar werken als van de Grieksche dramatici Aeschylus en Sophocles, die ondanks de ’t Grieksch verwaarloozende vroege Middeleeuwen — afgezien van Byzantium — stand gehouden hebben tot onzen tijd, en naar alle waarschijnlijkheid ook in de Toekomst niet zullen ondergaan, hoewel de taal, die slechts door een betrekkelijk gering aantal klassiek ontwikkelden wordt verstaan, steeds een hinderpaal voor dat voortbestaan is geweest, hoeveel te meer moet daar ’t groote werk, dat in nog veel ouderen tijd op gelijke wijze spiegelde de diepste gevoelens van het menschelijk gemoed, niet eeuwig zijn, als in plaats van belemmerende omstandigheden schier louter gunstige worden aangetroffen!
In het ook toenmaals uitgestrekte — zij ’t ook niet in dien omvang als het hedendaagsche — China, dat, gelijk de jongste linguistisch-taalhistorische onderzoekingen doen vermoeden, reeds toen zijn verschillen in volksaard weerspiegelde in de zoo subtiele dialectische verschijnselen, hebben veel goede factoren het voortbestaan van de Shih Ching, ’t Klassieke Boek der Oden, begunstigd. Ter zijde latend de groote boekvernietiging, geordonneerd door Keizer Shih Hwang Ti (212 v. C.), die niet inzag dat de kern van de cultuur van een volk ligt in het hart van dat volk, waren er de gunstige omstandigheden van primo: het Chineesche schrift, de eenheid der geschreven taal; secundo: de ongeëvenaarde kennis en minutieuze zorg, waarmede Confocius de Shih Ching redigeerde, en tertio: de diepe eerbied en liefde, die het Chineesche volk heeft voor de groote monumenten van zijn literatuur.
Deze reeks buitengewoon fijn gevoelde verzen, ten getale van pl.m. driehonderd, zijn bijeengezamelde „volkszangen” uit de verschillende staten van ’t oude China (dat zijn toen óók reeds zeer 135 gevarieerd landschap uitstrekte langs de Hwang Ho1 en in schier duizelingwekkende afwisseling voeren ze ons mede op krijgstochten in de met wapperende wimpels en kleurige lansen versierde wagens, brengen ze ons in de stille paleizen, waar slechts ’t ruischen van zijde en een enkele verdwaalde guitaar klinkt, doen ons aanzitten zoowel aan uitbundige feestmaaltijden, waar tienduizend jaren den Keizer toegedronken worden, als aan ’t sobere maal van den landman, waar we mede genieten van het stille, simpel-mooie geluk, of ze voeren ons binnen in den rustigen vooroudertempel, waar de zieletabletten zich rijen in den wierookgeur, om ons dan weer deel te laten hebben aan hongersnooden, onderdrukking en uitpersing door slechte ambtenaren, of ze toonen ons de verlaten liefde, die verweend wordt in de sombere eenzaamheid. En in stillen eerbied brengen zij ons, waar wij getuige zijn van ’t gebed van den Keizer, waar hij zich voor God’s aangezicht voelt staan, en in smartelijke bewoordingen zich zelf aanwijst als oorzaak van de vele rampen, die zijn rijk troffen.
Confucius redigeerde hen: want de ongeveer 3000 liederen, die hij vond, heeft hij nauwkeurig geschift, en 311 behouden, welke hem goed toeschenen wat betreft inhoud, vorm en strekking. En deze Wijze, ongeacht of wij hem als uitnemend philosoof dan, wel slechts als groot literator beschouwen, heeft hier de liederen gerangschikt, noch chronologisch, noch classificeerend, maar zóó, dat wanneer we beginnen te lezen, ’t leven der oude Chineezen ons voorbijtrekt, en we voelen alsof ’t ware dat wij zelf dáár zijn, meegevoerd door de ongeweten, maar zoo diep gevoelde zangerige wijs van deze Oden, die zoo duidelijk verraden geheel voor den zang gemaakt te zijn. En des te ontroerender zijn deze immerfrissche stukjes menschenleven, omdat ze dateeren uit een tijd zoo lang geleden als de eeuwen om 1000 v. C. (1700–600).
De indeeling van het werk is even weinig droog-wetenschappelijk als de inhoud. De cyclus valt in vier deelen uiteen, t. w. ten eerste: de Kwo Fung (Onderrichtingen van de Staten); ten tweede: de Siao Ya (Kleine Feestliederen); ten derde: de Ta Ya (Groote Feestliederen) en ten vierde de Sung (Offerzangen). De meeste uitgaven van de Shih Ching geven twee commentaren, de Ta Hsü en de Siao Hsü (Groote en Kleine Inleiding). De Ta Hsü geeft 136 eerst in prachtige gedragen taal de essentieele beteekenis van het vers.
„Verzen ontstaan uit de concentratie van het gemoed.
Wanneer in het gemoed concentratie is, dan zal deze zich in woorden uiten, en de woorden zullen verzen zijn. . .
Wat zich om en om wentelt in de diepste diepten van het gemoed, dat beeldt zich uit in woorden. . .”
Nadat de goede invloed van gedichten beschreven is, worden de zes soorten van Oden uit de Shih Ching opgenoemd: de Fung (Onderrichtingen), de Fu (Poëtische Beschrijvingen), de Pi (Metaphoren), de Hsing (Allegorieën), de Ya (Feestliederen) en ten slotte de Sung (Offerzangen).
De Siao Hsü is een doorloopende commentaar op ’t heele werk, die korte, meest onvolledige inlichtingen geeft omtrent de strekking van elke Ode. Voorts is de geheele Shih uitvoerig gecommentarieerd door verschillende philologen uit verschillende eeuwen, als b.v. Mao. Het meest en vogue is Chu Hsi2.
Mogen de Oden nu verder voor zich zelve spreken tot den lezer, die, zooals Mérimée zegt: „n’a pas besoin qu’un pédant lui en démontre les beautés.”
De eerste Ode heeft betrekking op het huwelijk van koning Wen (1184–1134 v. C.), een der uitmuntendste Chineesche keizers, en prinses T’ai Sze. Ik vertaal deze Ode hier, omdat ’t een typisch voorbeeld is van de herhaalde natuurvergelijking.
Kwan Tsü (1, Chou-nan, 1)
„Kwan kwan” roepen de meeuwen,
Op de eilandjes in de rivier.
O, onze bescheiden en reine prinses,
Zij is de goede gezel van onzen prins!
De waterplant slingert haar warnet van stengels
Waar de rivier zich voor de eilanden splitst.
O, onze edele en goede prinses,
Hij begeerde haar, of hij waakte of sliep.
Hij begeerde haar, en verkreeg haar niet.
137
Wakend en droomend dacht hij aan haar
O zoo lang, zoo lang. . .
Maar de bruiloft heeft plaats, want de Ode eindigt met het vroolijk gezang van de pluksters van de eetbare waterplant:
Hoe verward groeit de eetbare waterplant! Overal plukken wij haar! Onze reine en edele prinses, Met blijde muziek halen we haar in!
De natuurvergelijkingen van deze soort vinden we in de volkspoëzie van vele volken uit vele tijden. Om een paar voorbeelden te nemen, die wijd uit elkaar liggen: de Maleische pan toen, die bestaat uit een oneindige aaneenschakeling van verzen als:
padi moeda djangan diloeroet tjeka diloeroet, roesak batangnja ati moeda djangan ditoeroet tjeka ditoeroet roesak badannja.
„Jonge rijsthalmen moet men niet drukken. Wanneer men hen drukt, zal de stengel breken.
Een jong hart moet men niet te kort houden. Wanneer men ’t te kort houdt, zal ’t lichaam ondergaan.”
En de liederen en „rauda’s” of doodenklachten van de Litauers, — een poëzie die voortleeft in den mond der landbouwende bevolking, maar stellig wortelt in de tijden van het oude heidendom, — waar we lezen:
ei, ruta, ruta, rutituze, o ku pavytai vasaruze? ka asz ne vysiu vasaruze? sesele seju pagaduze, sesele seju pagaduze o ir aplaiste aszaruzems. ei, sese, sese, sesytuze, ku graudzei verki pas mocziute? ka asz ne verksiu pas mocziute? ei, duda, leidzia i szaluze, i ta szaluze ne zinuma uz tu berneliu ne-norimu3
138 ach, raute, raute, liebe raute, warum bist du verwelkt im sommer?
wie soli ich nicht im sommer welken? die schwester säte bei schönem wetter,
die schwester säte bei schönem wetter, ab er begosz mich mit ihren tränen.
ach, schwester, schwester, liebe schwester, was weinst du schmerzlich bei der mutter?
wie soli ich nicht weinen bei der mutter? sie gibt mich, lässt mich in die fremde,
in die fremde, die unbekannte, zu dem burschen, dem nicht gewollten.
Deze twee voorbeelden even uit de vele, die voorhanden zijn. Hem, die de geheele Shih doorleest en vergelijkt, zal dit onmiddellijk opvallen. We gaan nu verder, hier en daar er een Ode uitnemend.
Nü Yüeh Chi Ming (III, Chêng, 8)
De vrouw zegt: „De haan kraait”
De man zegt: „De ochtendstond schemert al”
„Op, Heer, zie uit in den nacht,
Waar twinkelen de schitterende sterren!
Trek uit met uw pijl en boog,
En jaag de wilde eenden en ganzen.
En wanneer’ gij uw buit goed getroffen hebt,
Dan zal ik ze voor u toebereiden,
Terwijl wij er wijn bij drinken.
En ik hoop met u samen oud te worden.
Dan zult ge uw guitaar ter hand nemen,
En niets zal ons beter zijn. .
Doe mij weten, Heer, wie ge graag komen ziet:
Mijn juweelen zal ik hun geven, ten geschenke.
Doe mij weten, wie gij graag volgt:
Ik zal hun geven van mijn sieraden.
Doe mij weten, wie gij liefhebt,
En ik zal hun mijne juweelen schenken,
Om hun dit te vergelden. . .
Ten einde den lezer, die niet met de Chineesche taal bekend 139 is, een idee te geven van den vorm van een Ode, geef ik de transcriptie4 van de Chineesche teekens (in ’t Loeh-Foeng dialect) van bovenstaande Ode. Met lette vooral op ’t aardige rijm.
’ng jat: kai min sê jat: moei tan tsê hin ts’in ja min sen jioe lan tsiong ngau tsiong siong jit foe ji ngan. jit njian ka tsê ji tsê nji tsê nji njian jim tsioe ji tsê kai lo k’im sit ts’ai nji mok poet ts’in ho. ti tsê tsê loi tsê ts’ap p’oi ji tsen tsê ti tsê tsê sjoen tsê ts’ap p’oi ji moen tsê ti tsê tsê ho tsê ts’ap p’oi ji po tsê.
Voorts spreekt een verlaten meisje in:
Tsun Ta Lu (III, Chêng, 7)
Aan den kant van den weg
Legde ik mijn hand op uw arm.
Wil toch geen kwaad van mij denken,
Breek deze oude vriendschap niet af!
Aan den kant van den weg
Greep ik uw hand.
Denk toch niet dat ik slecht ben,
Doe deze liefde niet gebroken zijn
In het volgende spreekt een jong soldaat, die in het leger is, ver van huis.
Tche Hu (III, Wei,4)
Deze barre rotsen besteeg ik
En blikte in de verte: dáár woont mijn vader.
Mijn vader zegt: Ach, mijn zoon is verre op den krijgstocht
En steeds marcheert hij voort, dag en nacht.
Ach, hoe vrees ik voor hem!
Mocht hij terugkomen, daar niet verwijlen!
Ik besteeg dien begroeiden bergtop
En zag in de verte: dáár woont mijn moeder.
Mijn moeder zegt: Ach, mijn jongste zoon is uitgetrokken met ’t leger
En dag noch nacht brengt hem rust.
Ach, hoe vrees ik voor hem!
Mocht hij terugkeeren, ons niet verlaten!
Ik beklom die berghelling
En tuurde in de verte: dáár woont mijn oudere broeder.
Mijn broeder spreekt: Ach, mijn jongere broeder is heengegaan
En dag en nacht schrijdt hij voort in de gelederen.
140
Ach, hoe vrees ik voor hem!
Mocht hij toch keeren, en daar niet sterven! . . .
Een angstig meisje zegt haar minnaar het volgende:
Tsiang Chung (III. Chêng, 2)
O, heer Chung, ik smeek u,
Kom toch niet in ons dorpje
En breek niet de wilgetakken...
Hoe zou ik u durven beminnen,
Vreezende mijne ouders!
Wel houd ik veel van u,
Doch de woorden van mijn ouders,
Ook hiervoor moet ik waken.
O, heer Chung, ik smeek u,
Klim toch niet over den muur
En breek niet de moerbezieboomen!
Hoe zou ik u durven beminnen,
Vreezende al mijn oudere broeders!
Wel houd ik veel van u,
Maar de woorden van mijn oudere broeders,
Ook voor deze’ moet ik vreezen.
O, heer Chung, ik smeek u,
Dring toch niet binnen in mijn hof
En breek niet de t’an-boomen!
Hoe zou ik u beminnen durven,
141
Vreezend ’t vele gefluister der menschen
Wél houd ik veel van u,
Maar het gefluister der menschen
Ook dit vrees ik zeer!
Een groot deel van den cyclus wordt ingenomen door episodes uit het gewone leven van den landman. De verschillende oogstfeesten etc. vinden we er nauwkeurig en onderhoudend beschreven. Baumgartner zegt van dit genre: „Der Gesichtskreis ist ein enger, oft einförmiger; aber alle Stimmungen und Vorfälle des Alltagslebens kleiden sich ungesucht in Bilder und Anklänge der umgebenden Natur, und der reiche Wechsel und die unerschöpfliche Schönheit der Natur umwaltet das schlichte, prosaische Dasein mit einem milden, verklärenden Zauber.” Het volgende lied van deze soort, Ts’i Yüeh, doet ons denken aan de „Werken en Dagen” (Opera et Dies) van Hesiodus. Het dateert vermoedelijk uit 1114 v, C., en schildert ’t landleven maand bij maand, in ’t landschap Pin (in ’t Westen van het oude China). Het lied telt de maanden naar de Hsia-dynastie, volgens welke het jaar aanvangt met Februari. Voor ’t overzicht laat ik hier even een korte inhoudsopgave volgen:
Vers 1. Algemeene werkzaamheden. De belasting wordt afgedragen.
Vers 2. De moerbeibladeren worden verzameld, die moeten dienen tot voedsel voor de zijderupsen.
Vers 3. De zijde wordt verder behandeld. Het weven.
Vers 4. Jachten; de bontvoorraden worden aangevuld. De groote jacht op wilde zwijnen is tevens een goede oefening voor den oorlog.
Vers 5. Men slaat de wintervoorraden in, verbetert de huizen, om beter weerstand te kunnen bieden aan de koude.
Vers 6. De oogst wordt binnengehaald en de wijn bereid.
Vers 7. Op ’t erf worden leege plaatsen gemaakt voor den oogst; men maakt touw van de vezelplanten en verricht andere werkzaamheden.
Vers 8. Men maakt ijs gereed voor de warme zomerdagen. Het groote oogstfeest in het paleis.
Veel namen van planten en gewassen heb ik approximatief vertaald, daar ik dit liever deed dan de nietszeggende Chineesche namen te geven.
142
Ts’i Yüeh (III, Pin, 1)
1.
In de zevende maand zinkt de vuurster.
In de negende maand worden kleederen uitgedeeld. . .
Een ijzelwind blaast in de dagen der eerste maand:
In de dagen van de tweede komt de koude.
Wanneer we nu zonder kleeren waren,
Hoe zouden we ’t jaar tot ’t eind bestaan?
De dagen van de derde brengen ons den ploeg.
In de dagen van de vierde bebouwen we ’t land.
Vergezeld van mijn vrouwen kinderen
Breng ik de bijdrage in voedsel naar den akker
En de landheer nadert en is verheugd.
2.
In de zevende maand zinkt de vuurster.
In de negende maand worden de kleeren uitgedeeld. . .
De lentedagen brengen de warmte mede
En we hooren’ t gezang van den wielewaal.
Nu nemen de meisjes de sierlijke korfjes
En gaan daarmede langs de smalle paden
Om de zachte moerbezie-bladen te verzamelen.
Als dan de dagen gaan lengen,
Plukken zij in menigte het witte St. Janskruid.
Maar in hun hart zijn ze bang te moede:
Spoedig zullen ze den prins huwen. . .
3.
In de zevende maand zinkt de vuurster.
In de achtste maand wast rijkelijk het riet;
In de „zijde-maand” vallen de moerbei-twijgen:
Met bijl en hakmes wordt ’t overtollig loof verwijderd.
Van de jonge boompjes neemt men slechts de bladeren. . .
In de zevende maand hoort men de klapekster.
In de achtste wordt met spinnen begonnen.
Dan weeft men paarse en gele zijde
En onze roode zijde, de glanzende,
Tot onderkleed van den prins.
4.
In de vierde maand groeit weelderig het gras;
In de vijfde maand zingen de krekeltjes,
In de achtste maand oogst men.
In de tiende vallen de droge bladeren.
De dassen vervolgt men in de dagen van de eerste,
143
En men vangt vele soorten vossen
Om tot bont te strekken voor den prins.
In de dagen van de tweede is de groote jacht,
Als oefening voor krijgsbedrijven:
De jonge zwijnen behouden zij voor zich,
Den vorst worden gelaten de dieren zelf.
5.
In de vijfde maand sjirpen de sprinkhanen.
In de zesde maand gaan de krekels vliegen,
In de zevende trekt men uit in ’t veld.
In de achtste schuilt men onder ’t dak,5
In de negende maand moet men binnen blijven.
In de tiende maand komen de krekeltjes,
En zij kruipen onder onze bedden.
De gaten worden nu gestopt, de ratten uitgerookt:
Men stopt de vensters, sluit de deuren af6.
Helaas, mijn ’Vrouwen kinderen!
Het jaargetijde is veranderd:
Blijft binnenshuis!
6.
In de zesde maand eet men druiven en pruimen;
In de zevende worden boon en gegeten,
In de achtste maand plukt men bessen af,
In de tiende wordt de rijst geoogst
En wijn wordt gemaakt voor de lente
Den „borsteligen wenkbrauwen”7 ter verfrissching.
In de zevende maand eet men meloenen;
In de achtste worden de kalebassen gekloofd.
In de negende wordt de hennep verzameld.
Plukt ’t melkkruid! Maakt brandhout van de shu.
Nu krijgen de landlui goed te eten. . .
7.
In de negende maand wordt ’t erf gereinigd:
In de tiende haalt men de schooven van het veld:
Het vroeg- en laatgezaaide graan,
Alle verschillende soorten.
Nu, mijn landlui,
Nu de oogst is binnengehaald,
144
Gaat naar huis, en doet ’t werk dáár!
Des daags moet gij het vlas verzamelen,
Des nachts de touwen hiervan draaien.
Klimt haastig op den zolder
En zoekt daar ’t zaaigraan uit.
8. In de dagen van de tweede hoort:
Chung, chung, men hakt het ijs!
In de dagen van de derde wordt ’t in de ijshutten geborgen;
In de dagen van de vierde in den ochtend,
Worden prei en schaap geofferd.
In de negende maand is er vorst en rijp.
In de tiende maand reinigt men de deel.
Nu komt de dubbele wijnflesch voor den dag,
Nu worden lam en schaap geslacht,
En òp trekken we naar ’s vorsten hal,
Waar we met neushoornbekers roemen:
„Tienduizend jaren leve hij, zonder einde!”
Van een geheel andere strekking is het volgende lied, waarin landverhuizers hun ontevredenheid te kennen geven over hun prins, die zich niet veel aan hen liet gelegen liggen. Ik laat hier ’t eerste vers volgen in de vertaling van Viktor von Strausz, daar deze hier bijzonder goed geslaagd is.
Shih Shu (3, Wei, 7)
Grosze Maus! grosze Maus!
Unsre Hirse nicht verschmaus!
Drei Jahr’ hielten wir dich aus,8
Kümmerten dich keinen Daus;
Wandern nun von dir hinaus,
Freun uns jenes schönen Gaus,
Schönen Gaus, schönen Gaus,
Wo wir finden Hof und Haus.
Keizer Süan smeekt gedurende een hevige en lang aanhoudende droogte-periode:
Yün Han (7,3)
Schitterend slingert de melkweg zich langs den hemel. De 145 Koning spreekt: Wee! wat zondigden de menschen dezer eeuw? Dood en verderf laat de Hemel nederdalen, en hongersnood en gebrek waren door het land. Daar is geen Geest, die niet vereerd werd, geen offer bleef ongeplengd. Wat baten mij nu kwei en pi9? Helaas! waarom blijft mijn bede onverhoord?
De droogte is ontzettend en onverdraaglijk de hitte. Geen offer werd nagelaten; van de offerplaats buiten de stad ging ik naar den Tempel der Voorouders: Hemel en Aarde offerde ik, volbracht alles volgens de riten, en begroef de offers, gelijk het behoort. Onvereerd bleef geen Geest. Maar zelfs Hou Tsi10 vermag hier niets: de Heer heeft zich van ons afgewend. De aarde wordt verwoest. Ach, waarom trof dit alles niet mij alleen? De droogte is ontzettend en haar is niet te ontkomen. Men is in groote vreeze: gevaar is dreigende alom, het volk is bevreesd als rolde de donder en flitsten bliksemschichten door de lucht. Van het volk van Chou zal er niet één overig blijven. . . O Heer in den Hemel, laat deze ramp ons voorbijgaan! Hoe zouden we niet vreezen: de schimmen in den Tempel der Voorouders zullen ook verdwijnen.
De droogte gaat alle perken te buiten en haar is geen wederstand te bieden. Overal laait de hitte omhoog: geen plaats om te bestaan is mij nog overig. Het einde is niet ver meer. Met wanhoop in het hart blik ik rond: geen der rijksgrooten kan hulp verleenen. O, Vader en Moeder, en gij, mijn voorouders, hoe kunt gij ’t verdragen uw zoon zóó te zien lijden!
De droogte is ongekend: de heete wind verdroogde bergen en stroomen, en de Geest der Droogte11 gaat martelend door de landen als een àl-verschroeiende gloed. En in mijn binnenste verbrandt de zorg het vreezend hart. De rijksgrooten hooren niet meer naar mijn bevelen. 0 Heer in den Hemel, waarom doet Gij mij vertwijfelen?
. . . . .
Dat bij ’t feestvieren niet altijd de juiste maat gehouden werd, getuigt het volgende, dat tevens als waarschuwing voor drinkebroers is bedoeld.
146
Pin Chih Ch’ u Yen (5. Sang Hu, 6)
Als de gasten aan tafel gaan,
Dan zijn de zetels goed gerangschikt;
De bamboevazen zijn vol kruiden,
En keurig in volgorde staan potten en schalen
De wijn wordt geschonken als het behoort,
En ieder krijgt precies zijn beurt.
Dan begint de muziek te spelen
En waardig drinkt men elkander toe. . .
Maar zoo blijft het niet. Want, nadat eenige plechtigheden zijn beschreven, gaat ’t lied verder:
Als de gasten dronken worden, Dan brallen ze en schreeuwen luid. De schotels gooien ze door elkaar, En waggelend dansen ze dooréén. Daarom zegt men: „Als iemand dronken is, Bemerkt hij niet meer dat hij verkeerd doet.” Ze kunnen niet meer op de beenen staan, En blijven toch maar aan’ t springen. . .
Ten slotte geeft het lied een vermaning aan de drinkers, en eindigt met de woorden:
Als men bij drie bekers al duizelig wordt, Hoe durft men dan nog meer te drinken?
Tot zoover de vertalingen12; tot slot nog eenige algemeene opmerkingen.
De Chinees gebruikt gaarne in geschreven en gesproken taal te pas en te onpas aanhalingen uit de Shih. Confucius zelf geeft het voorbeeld: in de Chung Yung alleen komen al 14 aanhalingen voor. En onnoemelijk is ’t aantal aanhalingen, dat we vinden bij de latere Chineesche dichters en essayisten. Confucius hechtte zeer veel waarde aan de studie der Oden, hetgeen ten duidelijkste blijkt 147 uit meerdere passages van de Lun Yü. Onder andere karakteriseerde hij de Shih in Boek 11, 2, met de woorden: „Het Boek der Oden bestaat uit driehonderd gedichten. Men kan hen echter in één zinsnede samenvatten, namelijk: „Hebt geen minderwaardige gedachten.” Alleen de Oden van Chêng (Boek III, 1) scheen hij minder hoog te schatten. Toen ik eens aan een Chineeschen vriend van mij zeide, dat ik ’t in dit opzicht niet met Confucius eens was, kreeg ik ’t bestraffende antwoord: „Jullie buitenlanders houdt er van over liefde te lezen!” Waarop ik hem uitlegde, dat een gedicht ons boeien kan door vorm, óf door inhoud en strekking, en soms door beide. En dat waar de Oden in ’t tweede falen, zij dit weer herstellen door ’t eerste. Overigens gaat voor deze kwesties misschien wel ’t bekende woord van Frederik van Eeden op: „Het is onze eigen schoonheid, die de dingen schoon maakt.” Per slot van rekening kan men, indien men wil, wel overal een verkeerde beteekenis uit halen.
Het vele citeeren van de Shih wordt ook nog zeer in de hand gewerkt door de politieke portée, die te recht of ten onrechte aan vele Oden wordt toegekend. Mij is die meestal niet zoo erg duidelijk, en ik heb mij er dan ook maar toe bepaald om alleen de vertaling te geven, zonder de eventueele politieke strekking te vermelden (die trouwens door verschillende geleerde commentators verschillend wordt gegeven). Laten we liever de Oden nemen, zooals zij in den tekst voor ons liggen. En dan geven zij ons zóó vele schatten van schoonheid, vaak van een volmaakte lyrische kunst, en openbaren zij ons zóó vele gevoelens, die wij ons zelf ook niet vreemd weten, dat we, na gelezen te hebben dit wondere Boek der Oden, ten volle beseffen de schitterende waarheid, opgesloten in het woord van Confucius:
„Chieh Jen Hsiung Ti”,
„Alle menschen zijn broeders”.
1 Het omvatte de tegenwoordige provincies Pê-tchê-li, Shan-tung, Shan-si, Shen-si, Ho-nan en Kan-su.
2 Het ligt buiten het bestek van dit artikeltje, om meerdere zakelijke inlichtingen te verstrekken. Ik verwijs naar het werk van James Legge (Chinese Classics, Part IV), dat philologisch uitmuntend is, en naar de vertaling van Viktor von Strausz (Shi King, Das Kanonische Liederbuch der Chinesen), dat uit dichterlijk oogpunt zeer goed is.
3 Uit: „Die Naturvergleiche in den Liedern und TotenIdagen der Litauer”, door Dr. R. van der Meulen Rz. (Uit practische overwegingen moesten hier vele phonetische teekens wegvallen.)
4 Wel ben ik bekend met de pogingen, om ’t oud-Chineesch te reconstrueeren, maar voorloopig geef ik de uitspraak liever in een dialect, dat de oude uitspraak nader staat dan b.v. ’t afgesleten Peking-dialect, al zal ’t ook niet veel met de oude uitspraak gemeen hebben.
5 T.w. onder den uitstekenden dakrand.
6 Scheuren en reten worden n.l. met klei toegestopt.
7 N.l. de ouden van dagen.
8 De commentaar merkt op, dat onder 3 jaar hier „een lange tijd” moet worden verstaan. Het was misschien beter geweest, het ook zoo te vertalen.
9 Kwei en Pi zijn teekens der keizerlijke waardigheid
10 Hou Tsi, in oude tijden minister van landbouw onder Shun (2255 v. Chr.), later als God van den Landbouw vereerd.
11 De Geest der Droogte, Pa geheeten, wordt gedacht als een kaal oud vrouwtje.
12 Hoewel de Shih, wat moeilijkheid betreft, niet te vergelijken is met de verzen van Su Tung Po, Wang Wei enz., schuilen nog zeer vele moeilijkheden In het afwijkend gebruik van woorden, karakters, die verschillend worden verklaard, of namen van planten en gebruiksvoorwerpen, die niet met zekerheid bekend zijn. Bij mijn vertaling vertrouwde ik meestal geheel op den commentaar van den philosoof Chu Ssi. Een nauwkeurige, goed gedocumenteerde vertaling moet ik aan sinologen overlaten.
XML-versie © 2006 Marco Huysmans