“Chung Hwa Hui Tsa Chih”, 1928, Vol. 3, nr. 2, pp. 26-31
De krijgsman die zijn eigen zoon offert
Een oud-Indisch verhaal, uit het Sanskrit vertaald en ingeleid
26 Rijk en veelsoortig als schier geen andere is de literatuur, voortgebracht door het volk der Ariërs, de krijgshaftige stammen, die in overoude tijden uit het Noordwesten het vruchtbare Vijfstroomenland (Panjab) binnenvielen, en, na dit geheele gebied veroverd te hebben op de donkere oerinwoners, zich in de volgende eeuwen over het stroomgebied der Ganges verspreidden.
De wondervruchtbare landstreken, die als het ware vanzelf hun vruchten voortbrachten, en mensch en dier overvloedig van voedsel voorzagen; het zachte klimaat, dat de seizoenen doet voorbijgaan in een steeds terugkeerende wisseling van droge warmte in den zomer, en die vochtige winters, welke nooit koud zijn. maar de geheele natuur baden in een weldadigen overvloed van zware regengordijnen, die het lichte groen der weelderige wouden verdonkeren, en de rivieren doen zwellen; dit alles heeft niet nagelaten het krachtige, strijdbare Arische volk te maken tot een geslacht, dat boven de daad de gedachte stelde, en zeer, al te zeer geneigd was tot bespiegelende, abstracte overpeinzingen.
Wanneer deze verandering zich voltrok, of waar in het bijzonder, is wegens onze nog beperkte kennis van de Indische geschiedenis onmogelijk nauwkeurig vast te stellen. Tot voor kort meende men een zekere historische lijn te kunnen bepalen, doch de jongste oudheidkundige onderzoekingen doen meer en meer de onwaarschijnlijkheid van het bestaan van een dergelijken ontwikkelingsgang blijken. De onvolledigheid van onze historische kennis wordt zeer zeker niet veroorzaakt door gebrek aan literatuur uit de verschillende tijdvakken. Het is echter de aard der overgeleverde werken, die telkens slechts een zijde der, ook in de oude tijden vermoedelijk reeds zeer samengestelde maatschappij, belichten, en ons zoo belemmeren een eenigszins volledig beeld te vormen. Bovendien beoefenden de Indiërs nooit de eigenlijke geschiedschrijving, zoodat een degelijke historische kern, waarom men het geheele literatuurcomplex zou kunnen rangschikken. te eenen male ontbreekt.
Dit alles neemt echter niet weg, dat wij, generaliseerende, toch wel eenige algemeene lijnen kunnen aangeven. Zoo moest noodzakelijkerwijs het overdadige, tot verweekelijking leidende materieele leven aan den eenen kant medebrengen een 27 neiging tot verzaking van het wereldsche leven anderzijds. Weldra wordt het oog vermoeid door de overweldigende schittering van het hoofsche leven, en gaat men verlangen naar de eenzaamheid der wouden, de stille bergen, naar wier steile hoogten de schrille klanken van de al te luide wereld niet gedragen worden.
De neiging tot dit wereldvreemde leven in ascese was steeds een karakteristieke trek van het Indische volk. Zij kan beschouwd worden als zijnde een der vele verschijningsvormen der verzaking, het los zijn van alle aardsche dingen. Deze verzaking is niet het eigendom uitsluitend der zwervende asceten of eenzame kluizenaars: evenzeer toonen haar te bezitten vele epische helden. koningen en krijgslieden. Terecht is dezer verzaking beschouwd als een der inleidende verschijnselen, welke vóórduidden de komst van den Shakva-prins, die, de ijdelheid van alle dingen inziende, op een nacht heimelijk heenging uit het wonderschoone paleis van zijn vorstelijken vader, om het goddelijk inzicht deelachtig te worden, en als de Boeddha, de Verlichte, de landen door te trekken, en der menschheid de liefde te prediken.
De leer van Boeddha is in wezen niet anders dan de doorgevoerde verzaking, door de liefde verpuurd.
Van deze beide edele beginselen vervuld was de ziel van den krijgsman, wiens daden ons in het oude Indische boek, de Hitopadesha, worden verteld door den koning der watervogels, den flamingo Hiranyagarbha. Dit eenvoudige, maar toch — en wellicht juist daarom — zoo schoone verhaal valt onmiddellijk op onder de andere vertellingen der verzameling, daar deze geschiedenis in ethische strekking verre boven de andere staat.
Eerstens immers is het de verzaking, die in het begin reeds spreekt uit de fiere houding van den vreemden krijgsman, wanneer hij den koning zijn dienst komt aanbieden; buitensporig hoog is het loon. dat hij verlangt: vierhonderd goudstukken zullen hem dagelijks moeten worden uitbetaald. Doch hiervoor wijdt hij dan ook den koning zijn goed en zijn leven. zonder eenig voorbehoud. Voor de deur des konings staat hij, dag en nacht, het zwaard in de hand: een grootsche figuur, wien alle halfheid vreemd is. Dan blijkt, dat het uiterste gevaar den koning bedreigt. een gevaar, dat slechts kan worden afgewend, doordat de krijgsman het hoofd van zijn eenigen zoon offert. Het is wederom de volkomen verzaking van het eigen zelf, die den krijgsman rustig naar huis doet gaan, om het gevraagde offer te volbrengen, want men moet bedenken, dat een zoon voor den Indiër alles beteekent, daar bij hem 28 de plicht berust voor het heil van zijn gestorven ouders en voorouders te zorgen door gestadige offering. Maar de eenvoudige handeling, zooals zij zich verder afwikkelt, gaat zich langzamerhand in het onaardsche licht der Liefde vertoonen, wanneer de zoon van den krijgsman, door zijn vader uit den slaap gewekt, verheugd zich bereid verklaart geofferd te worden om den koning te redden. En in den geest der liefde spreekt ook zijne moeder.
Boeddha, de Verlichte, verwijlde niet slechts gedurende één leven op aarde. Talrijke malen voor zijn ter wereld komen als de Shakya-prins Siddhartha, daalde hij reeds op aarde neer als Bodhisattwa, en bewerkte door daden van de opperste zelfverloochening de bevrijding van zielen uit den jammervollen kringloop der sterfelijkheid. Het boek Jatakamala, of „Een Krans van Wedergeboorten”, verhaalt ons een reeks van deze voor-existenties van den Boeddha. En in dit verband nu komt het mij voor, dat men het verhaal van den krijgsman uit den geenszins Boeddhistischen Hitopadesha beschouwen moet. Gaat men de daden en beweegredenen der handelende personen na, dan verwondert men zich, niet aan het slot van het verhaal te lezen de zoo menigmaal aan het einde van een „jataka” voorkomende woorden: „En deze krijgsman nu was de Bodhisattwa....”
Het verhaal is niet, of liever gezegd, is nog niet gevonden onder de bekende jataka’s, zoodat de directe Boeddhistische origine niet vast te stellen is. Maar al zou het er nooit onder worden gevonden, ook dan zouden wij het toch moeten beschouwen als te zijn ontstaan in een tijd, toen reeds Boeddhistische geestesstroomingen waarneembaar begonnen te worden, denkrichtingen, die tenslotte tot een groote openbaring werden door den Shakya-prins.
Luisteren wij nu evenwel naar den koning der watervogels vaar hij ons verhaalt:
„Lang geleden leefde ik eens in minne met Karpoeramanjari, de dochter van den flamingo Karpoerakeli, in Koning Shudraka’s lustvijver. Daar vervoegde zich eens bij de poort van het paleis een krijgsman, Wirawara van name, ik weet niet vanwaar gekomen, en zeide tot den poortwachter: „Ik ben een krijgsman, die een dienst verlangt. Ik wens bij den vorst toegelaten te worden.” Toen hem een onderhoud met den koning verleend was, sprak hij: „Sire, indien gij van mij als dienaar gebruik wilt maken, zoo moet mij loon worden uitbetaald.” Koning Shudraka zeide: „Hoeveel loon verlangt gij?” Wirawara zeide: „Iederen dag vierhonderd goudstukken.” Hierop zeide de koning: „Wat is Uw vermogen?” De 29 krijgsman zeide: „Twee armen, en ten derde een zwaard.” De koning zeide: „Dit is niet mogelijk.” Toen hij dat gehoord had is Wirawara weggegaan, na een diepe buiging te hebben gemaakt. Daarop zeiden echter de ministers: „Sire, u zoudt na hem het loon voor vier dagen betaald te hebben, zijn aard kunnen onderzoeken, of hij een zoo groot dagloon waard is of niet.” En nadat hij op het zeggen van de ministers den krijgsman teruggeroepen had, bood hij hem betel aan, en betaalde hem zijn loon uit. Oe koning onderzocht echter ongemerkt, hoe de krijgsman dit loon besteedde. De helft ervan schonk Wirawara aan de goden en de priesters, de helft van het overblijvende gaf hij aan de armen, de rest gaf hij uit voor zijn eigen levensonderhoud. Dagelijks deed hij dit alles zoo en verder stond hij dag en nacht voor de deur van den koning, het zwaard in de hand. Slechts wanneer de koning zelf het hem beval, ging hij naar huis.
In den veertienden nacht van de donkere maanhelft nu vernam de Koning het geluid van een droevig geweeklaag. Toen hij dit hoorde sprak de koning: „Wie is het die hier voor de deur staat ?” Daarop zeide hij: „Sire, ik, Wirawara.” De koning zeide: „Gij moet de oorzaak van dat geweeklaag opsporen.” Wirawara zeide: „Zooals Uwe Majesteit beveelt,” en ging heen. De koning echter dacht bij zichzelf: „Nu heb ik dezen krijgsman uitgezonden, alleen in de duisternis, die met een naald is te splijten. Dat is ongeoorloofd: ook ik moet uitgaan om te onderzoeken wat dit is. Toen nam ook de koning zijn zwaard, en volgde hem, tot buiten de poort der stad. Nadat hij nu gegaan was, zag Wirawara een weenende vrouw, in den vollen bloei van schoonheid en jeugd, getooid met alle sieraden, en hij vroeg haar: „Wie zijt gij ? Waarom weent ge?” De vrouw zeide: „Ik ben de geluksgodin van dezen koning Shudraka. Langen tijd heb ik met groot welbehagen in de schaduw zijner armen gerust. Door de schuld der koningin echter moet de koning over drie dagen sterven; dan zal ik alleen zijn, zonder beschermer. Nu ween ik, daar ik niet blijven kan.” Wirawara sprak: „Hoe kan het geschieden, dat Uwe Eerwaardigheid hier bij den koning zal blijven vertoeven ?’ De geluksgodin zeide: „Wanneer gijzelf het hoofd van uw eigen zoon Shaktidhara, die met de twee-en-dertig geluksteekenen begaafd is, afhouwt, en dit aan de eerwaardige godin Doerga aanbiedt, dan zal de koning honderd jaren leven. Dan zal ik weer langen tijd hier bij den koning vertoeven.” Na deze woorden gesproken te hebben was zij onzichtbaar. Wirawara begaf zich nu naar huis, en wekte zijn door slaap bevangen vrouwen zoon. Toen zij beiden wakker 30 waren geworden, gingen zij zitten. Wirawara vertelde hun alles, wat de geluksgodin hem had gezegd. Vol vreugde sprak Shaktidhara, toen hij het gehoord had: „Vader, wat aarzelt gij nu ? Steeds is de opoffering van dit lichaam in een zoodanige zaak te prijzen. Waarover gezegd is:
„Zijn goed en zijn leven zal de Wijze terwille van een ander laten varen; In een goede zaak is de opoffering het beste, daar het verliezen toch eenmaal zeker is.”
De moeder van Shaktidhara sprak: „Indien wij dit, wat aan ons huis past, niet doen, hoe kunnen wij dan ooit vergelden het loon, dat wij van den vorst ontvangen?” Nadat zij aldus overlegd hadden, gingen zij allen naar den tempel van Doerga. Daar vereerde Wirawara Doerga, en sprak vervolgens: „Godin, wees ons gunstig gezind! Laat koning Shudraka steeds zegevieren! Neem gij dit offer aan.” Aldus gesproken hebbend, hieuw hij zijn zoon het hoofd af. Toen dacht Wirawara: „Nu heb ik het loon, dat ik van den koning ontving, terugbetaald. Nu is het leven zonder zoon slechts een ijdele nabootsing.” Na aldus overwogen te hebben, hieuw hij ook zijn eigen hoofd af. Diezelfde daad verrichtte ook de vrouw, gekweld door kommer over haar echtgenoot en haar zoon. Toen de koning dit alles gehoord en gezien had, dacht hij vol verwondering bij zichzelf:
„Aan mij gelijke, geringe wezens, leven en sterven; Zijnsgelijke echter was nooit, noch zal ooit zijn.
Wat is mij nog zelfs mijn koninkrijk, nu hij er uit is heengegaan?” En koning Shudraka trok zijn zwaard uit de scheede. om ook zijn hoofd af te houwen. Maar toen openbaarde zich Doerga voor ’s konings oogen, en hield zijn hand terug, zeggende: „Mijn zoon, laat af van die overijlde daad! Nu is het koninkrijk niet voor u verloren!” De koning zeide, met zijn acht ledematen in het stof neergezonken, haar vereerend : „O godin, koninkrijk, leven en majesteit zijn voor mij waardeloos geworden. Indien gij u echter barmhartig betoon en wilt jegens mij, moge dan door de mij nog resten de levensjaren deze krijgsman met vrouw en zoon leven. Anders zal ik den weg volgen, die mij betaamt.” De eerwaardige Doerga zeide: „Door dezen uw verheven moed en genegenheid voor uw dienaren ben ik geheel voldaan. Ga, wees zegevierend! Deze krijgsman moet met zijn gezin leven.” Na deze woorden verdween de godin. De koning echter vereerde haar, en ging stil 31 heen. Hij legde zich te rusten in de binnenkamer van het paleis Wirawara, met vrouw en zoon weer in het leven teruggekeerd, ging naar huis. Daarop weer voor de deur des konings staande, zeide Wirawara op diens vraag: „Sire, die weenende vrouw is, zoodra zij mij zag, onzichtbaar geworden. Verder is niets te melden.” Toen hij dat woord gehoord had, was de koning zeer voldaan, en dacht met verwondering: „Hoe kan deze grootmoedige geprezen worden? Immers:
Vriendelijkheid moet men spreken zonder schrielheid, Heldhaftig moet men zijn, zonder zich er op te verheffen; Vrijgevig moet men zijn, zonder te schenken aan onwaardigen, Zelfvertrouwend moet men zijn, zonder barschheid.
Al deze kenteekenen van een groot mensch zijn in dezen krijgsman vereenigd!’’ Daarop heeft koning Shudraka, in den ochtend een vergadering van aanzienlijken belegd hebbend, de geheele gebeurtenis prijzend verhaald, en uit vorstelijke genade Wirawara het koninkrijk der Karnata’s geschonken.”
XML-versie © 2006 Marco Huysmans