/wetenschappelijk/artikelen Rechter Tie / Robert van Gulik

Alle teksten en illustraties uit het werk van Robert van Gulik
zijn © Erven R.H. van Gulik

“Chung Hwa Hui Tsa Chih”, 1933, Vol. 11, nr. 1, pp. 9–11


Oude en nieuwe Chineesche oorlogszangen

Vertaald door R.H. van Gulik


9 Wat zegt ge, dat ge geen kleeren hebt? Ik zal mijn mantel met U deelen! De Koning roept zijn mannen op tot den krijg, De speren klaar, de lansen geveld: Schouder aan schouder zullen wij strijden! Wat zegt ge, dat ge geen kleeren hebt? Ik zal mijn wapenrok met U deelen! De Koning roept zijn mannen op tot den krijg, Gordt Uw pantser aan, en trek het zwaard, Schouder aan schouder op ten kamp!
Uit: Sje Tsjing, Klassiek Boek der Oden

De vuurbakens1 laaien op in de Gobi-woestijn, Verlichtend de wolken tot aan ’s Keizers paleis. De Han-keizer springt op, het zwaard in de hand, En roept Li-kwang tot zich, den trouwen generaal. De krijgsdrift slaat omhoog naar den hemel, Het tromgeroffel verschrikt den onderaardschen Drakengeest. De moed onzer soldaten vernietigt de vijanden, In één veldslag is de vrede hersteld.
Li T’ai-pe, 699–762

10 Los draagt zijn muts de ruiter van Tsj’au, Zijn gebogen zwaard schittert als rijp of sneeuw. Met een zilveren zadel is zijn schimmel gedekt, Hij stort vooruit, als een vallende ster. Bij elke tien schreden doodt hij een vijand, Hij rijdt duizend mijlen zonder te rusten. Na den strijd schudt hij het stof van zijn kleeren, En verbergt zichzelf en zijn roem in de verte. In uren van verpoozing drinkt hij met Hsin-ling2, Zijn blinkend zwaard ligt dan dwars over zijn knie. Hij zet zich ten disch met zijn vriend Tsjoe-haj, Of dringt Hoo-jing toe met de wijn-bokaal. Zijn drie bekers gedronken, dan is hij tot alles bereid, Hij beschouwt het als niets, de Vijf Bergen3 om te werpen. Zijn oogen gaan schitteren en zijn ooren gaan gloeien, Zijn moed om glanst hem als een stralenkrans. Om het land te redden zwaait hij zijn strijdhamer, En brengt schrik en ontsteltenis over Han-tan . . . . Duizend jaren zullen deze helden leven, En eeuwigen roem brengen hun geboortestad. Na hun dood zal men hun gebeenten wierook offeren, Zij staan niet achter bij de helden dezer tijd. Wie zal nu nog lezen, in zijn bibliotheek gebogen, De Heilige Boeken,4 tot de haren vergrijsd zijn?
Li T’ai-pe, Het Lied van den Dolenden Ridder

Meer dan vierduizend jaren is dit land oud, Dit land, dat geheel het onze is. Wie bezit het nu, in deze twintigste eeuw? Het is van ons, onze heilige erfenis. Ziet gij de gele vlaggen en vaandels dansen, En hoort gij het geroffel, Het geroffel der trommels?

Onze glorie te land, onze glorie ter zee, Beide zijn thans verloren gegaan. Gij zieke menschen, gij slapende menschen, Dacht gij zoo Uw vaderland te zullen redden? Wilt gij U willoos overgeven, en slaven zijn? Nu is het tijd de schande uit te wisschen, En wraak te nemen op Uw vijanden, Het is tijd, het is tijd!
Liang Tsj’i-tsj’au, 1869–1929


1 Oudtijds waren in de grensgebieden van China op geregelde afstanden wachttorens opgericht, met brandstapels op den top. Wanneer de barbaren een inval deden, stak men de vuren aan, de eene toren zag, het van de andere, en zoo werd het bericht doorgegeven.

2 Voor de geschiedenis, waarop dit gedicht doelt, zie Grube, Geschichte der Chin. Litteratur, Leipzig 1909, pag. 281.

3 Bedoeld zijn de Vijf Heilige Bergen van China, T’ai-sjan, Soeng-sjan, Hwa-sjan Heng-sjan en Hang-sjan.

4 Eigenlijk staat er: de T’ai-sjuan-tsjing, een werk over de Ji-tsjing, het Klassieke Boek der Veranderingen.