/wetenschappelijk/artikelen Rechter Tie / Robert van Gulik

Alle teksten en illustraties uit het werk van Robert van Gulik
zijn © Erven R.H. van Gulik

“Chung Hwa Hui Tsa Chih”, 1933, Vol. 11, nr. 3, pp. 99-105


Het Chineesche schaakspel

R.H. van Gulik


99 Tegenwoordig hoort men meesters van het schaakbord wel eens klagen, dat het spel nu op een dood punt is aangeland; dat elk der haast oneindig vele mogelijkheden nu eindelijk bestudeerd is, dat alle combinaties uitgewerkt zijn, en dat het spel aan de schaakmeesters weinig nieuws meer brengen kan. Dan overweegt men, of het spel niet uitgebreid kan worden met enkele nieuwe stukken of velden. Dit is een ingewikkeld vraagstuk, met welks bespreking wij ons hier niet uitvoerig behoeven bezig te houden. Maar hoe het ook zij, in ieder geval zal het belangwekkend zijn voor elken schaak-liefhebber, ook eens een blik te werpen op andere vormen van het spel, zooals deze reeds vele eeuwen in het Oosten bestaan, en daar in hun soort geperfectionneerd zijn. Wil men ons eigen spel veranderen, dan kunnen deze spelen wellicht eenige uitbreidingen aan de hand doen, terwijl men, wanneer men het Westersche spel in zijn huidigen vorm wenscht te handhaven, door kennisname van andere spelen zijn algemeen inzicht in spel-methodes verruimen zal.

100 In de eerste plaats komt hiervoor wel het Chineesche schaakspel in aanmerking, het „Sjiang-tsj’i” of „Olifanten-spel”, dat op vele belangrijke punten met het onze overeenkomt, maar toch genoeg typische verschillen vertoont, om het spel een geheel eigen karakter te verleenen.

Geschiedenis De geschiedenis van het Chineesche schaakspel gaat tot een ver verleden terug. De groote wijsgeer Confucius (551–479 v. Chr.) haalt het reeds aan, en de wijsgeer Mencius (Meng-tze, 372–289 v. Chr.) kiest het zelfs als beeld voor een philosophische vergelijking: al wordt men den geheel en dag onderwezen in de rechtschapenheid en de menschlievendheid, men zal geen beter mensch kunnen worden, wanneer men tegelijkertijd het oor leent aan allerlei dwaalleeren. „Het schaakspel nu is voorwaar een eenvoudige berekening; maar als men er zich niet met hart en ziel op toelegt, dan zal men het nooit meester worden. Ji-ts’ioe is de beste schaakspeler van het geheele Rijk. Veronderstel nu eens, dat Ji aan twee menschen onderricht geeft in het schaken. De eene is er met zijn volle aandacht bij, en is een en al oor voor de woorden van Ji. De ander echter, hoewel hij naar Ji luistert, is toch geboeid door een wilde gans, die aan komt vliegen, en hij denkt er aan zijn boog te spannen, en den vogel te schieten. Ofschoon hij nu tezamen met den ander leert, zal hij hem in het schaken toch nooit kunnen evenaren”.

Deze plaatsen slaan evenwel op het oude, buitengewoon ingewikkelde Chineesche schaakspel.

Feitelijk bestonden er vroeger twee geheel verschillende soorten schaak, ten eerste het Sjiang-tsj’i (het prototype van het hier beschreven spel) en ten tweede het Wei-tsj’i of „Insluitspel”. Dit laatste wordt gespeeld met 361 witte en zwarte schijfjes, die allen gelijke waarde hebben, op een bord van 18 × 18 vakken. De stukken worden een voor een opgezet, en de bedoeling is den tegenstander geheel in te sluiten. Dit Wei-tsj’i is een zeer dichterlijk spel: het wordt het meest gespeeld door literaten en teruggetrokken oude ambtenaren, liefst op een marmeren bank, in de schaduw van pijnboomen. De Chineesche literatuur kent drie hoogtepunten van dichterlijke ontroering: wanneer men een eenzamen waterval in de bergen hoort klateren, wanneer men den lentewind door de bamboes hoort ruischen, en wanneer men het geklik der stukken van het Weischaak op het marmeren blad hoort. Het spel eischt onuitputtelijk geduld en diepzinnige berekening.

Het Sjiang-tsj’i daarentegen draagt meer een „militair” karakter. Het eischt voornamelijk vlugge berekening, practische combinaties en snel ingrijpen. Het werd vooral gespeeld door krijgslieden, en is thans het meest algemeen verbreid in China. 101 Vroeger werd het gespeeld op een bord van 18 × 18 vakken, met 7 partijen, elk van 17 stukken. Deze partijen stelden voor de zeven staten Ts’in, Tsj’oe, Han, Ts’i, Wei, Jen en Tsjau, die elkaar van 475–221 v. Chr. verbitterd bevochten. In de Soengdynastie (960–1279) kwam evenwel een vereenvoudiging van dit spel in de mode, met twee partijen en 32 stukken. Een tusschenvorm is vermoedelijk het aarden schaakbord voor drie partijen, dat onlangs werd opgegraven (zie Bulletin of the National Library of Peiping, Vol. 6, No. 2, 1932).

Zijn militair karakter heeft het spel echter behouden, en daardoor heeft het een groote paedagogische waarde, aangezien het tot vlug aangrijpen en snel beslissen dwingt.

Bord en stukken Het Chineesche schaakspel stelt een veldslag voor, die door twee vijandige generaals geleverd wordt aan de oevers van een rivier. Deze Generaals zou men de Koningen kunnen noemen, aangezien zij niet kunnen genomen worden, en het doel van het spel is, een Generaal mat te zetten. In dit bij uitstek „militaire” spel ontbreekt vanzelfsprekend de Dame!

Beschouwen wij nu het bord met de stukken, zooals deze bij het begin van het spel gerangschikt staan (vergelijk de afbeelding).

Het bord is verdeeld in 64 velden. maar de stukken staan niet in het veld, maar op de kruispunten der lijnen, zoodat op de onderste lijn 9 stukken hun plaats vinden. Dwars over het bord loopt een blanco strook. de „Rivier”, die de twee partijen van elkaar scheidt. De partijen zijn meestal rood en zwart gekleurd, in mijn schema zijn zij wit en zwart. Elk heeft 16 stukken. Bij het Chineesche spel zijn dit ronde schijfjes, ieder gemerkt met een Chineesch schriftteeken, dat de waarde van het stuk aangeeft. Figuren, zooals wij ze kennen, worden in China nooit gebruikt. De kunstig bewerkte roode en witte figuren van ivoor worden in China uitsluitend gemaakt voor den uitvoer naar het buitenland. Daar de Chineesche teekens het spel voor een Westerling noodeloos ingewikkeld maken, heb ik hier getracht de schijven met eenvoudige teekens te merken. Men kan zelf dan voor zich gemakkelijk stukken maken. door papiertjes met deze teekens op, bijvoorbeeld damschijven te plakken.

De Chineezen zijn niet gewoon de bewegingen der stukken door letters en cijfers aan te geven. Wel nummeren zij de verticale lijnen, en bepalen ze verder met de namen der stukken, die er bij den aanvang van het spel op staan, ongeveer evenals men dat vroeger in Europa placht te doen. Men zie Philidor, „Bekwame handleiding tot het edele Schaakspel, gevolgd naar het Fransche door Petrus Lievens Kersteman, 1786.” Er is echter niets tegen, de lijnen van het Chineesche bord op dezelfde wijze te nummeren, als men dit met de velden van ons bord doet. Wij noemen dus de verticale lijnen van links naar rechts a–i, de horizontale lijnen van onder naar boven 1–10. 102

chessboard.jpg

In het midden, op e1, staat de witte Generaal, dien ik aanduid met een driepuntig kroontje. Links en rechts van hem, op d1 en f1 staan twee Officieren, die ik op het stuk aangeef met een O. Deze drie figuren mogen het met diagonalen gemerkte vierkant d1-d3-f3-f1 nooit verlaten. Dit is het zoogenaamde „Hoofdkwartier”. Binnen dit vierkant mogen zij zich echter wel bewegen, de Generaal langs een rechten hoek, b.v. e1-e2, en een volgende zet b.v. e2-e3, of e2-f2, en de Officieren langs 103 de diagonalen, b.v. d1-e2, en dan de volgende zet b.v. e2-f3, of e2-d3. En op deze wijze mogen zij ook slaan, natuurlijk altijd binnen de grenzen van het Hoofdkwartier. Aan weerszijden van het Hoofdkwartier staat een Raadsheer (R), respectievelijk dus op cl en g1. Hun loop is beperkt tot de beide met stippellijnen aangegeven vierkanten, en wel zoo, dat zij telkens 2 velden moeten doorsnijden. Rcl kan dus gaan naar e3, een volgende zet naar c5 of g5, en van c5 b.v. weer naar a3. Zij mogen evenwel nooit de Rivier overschrijden, en zijn dus, evenals de beide Officieren. geheel op de verdediging aangewezen. Op b1 en hl staan de Paarden. Hun loop gelijkt op die van onze paarden: één zet rechthoekig, de volgende diagonaalsgewijs. Pb1 kan dus naar a3, of ook c3, en wanneer het Paard midden op het bord staat, kan het dezen zet naar alle richtingen maken. Er is evenwel een hoogst belangrijk verschil: de paarden springen niet. Zij kunnen dan alleen een zet doen, wanneer hun baan vrij is. Pb1 kan niet naar d2 komen. omdat Rcl hem den weg verspert. Stond er echter een stuk op c2, en was cl vrij, dan kan het Paard d2 wel bereiken, daar zijn weg eerst rechthoekig, daarna diagonaalsgewijs gaat, dus via c1, en niet via c2. Dit is een verschil met ons spel, dat men goed in het oog dient te houden. De paarden mogen de Rivier overschrijden. De breedte der Rivier telt als één veld. Pc5 kan dus naar b7, d7, a6 of e6. De hoekpunten a1 en i1 worden ingenomen door de Wagens (W), de sterkste stukken van het geheele spel, zoowel voor aanval als voor verdediging. Hun loop is dezelfde als die van onze kasteelen : rechthoekig naar alle richtingen, over het heele bord. Wd2 kan dus naar d4, d8, e2. i2 enz., al naar hij verkiest. De eigenaardigste stukken zijn de twee Kanonnen op b3 en h3. Eigenlijk waren dit oude Chineesche balista’s of blijden; thans noemt men ze in China echter steeds Kanon. Zij hebben denzelfden loop als de Wagens, maar kunnen alleen slaan, wanneer er een willekeurig ander stuk tusschen het Kanon en het slachtoffer staat. Theoretisch zou dus b.v. wit Kb3 dadelijk zwart Pb10 kunnen nemen; in de praktijk heeft deze zet natuurlijk meestal geen zin, daar Wa10 onmiddellijk het zwarte Kanon neemt. Wit Ke5 zet den zwarten Generaal (e10) schaak. De Generaal bevrijdt zich hier echter gemakkelijk uit, door Od10-e9. Na den Wagen is dit Kanon wel het sterkste stuk.

Ten slotte zijn er de 5 pionnen (Chin.: „soldaten”), staande op a4, c4, e4, g4 en i4. Zij mogen telkens één vak recht vooruit gaan. Zijn zij echter de Rivier gepasseerd, dan mogen zij ook één vak naar rechts of naar links gaan. Zij mogen nooit achteruit. Voorts is het passeeren van de Rivier weer éen zet; c4 kan dus naar c5. Wanneer men c7 wegdenkt, kan de volgende zet zijn c5-c6, en de daarop volgende naar c7, b6 of d6. 104 Het bereiken van de tiende lijn brengt geenerlei bijzonder voordeel.

Alle bovengenoemde stukken slaan zoaals zij loopen, met uitzondering natuurlijk van het Kanon. Voorts mogen de Generaals nooit op één lijn tegenover elkaar staan. Staat de witte Generaal op d1, en is de d-lijn verder onbezet, dan mag de zwarte Generaal niet op d10, d9 of d8 gaan staan, daar hij dan zichzelf schaak zou zetten. Deze regel kan een belangrijke rol spelen bij het mat zetten. Hiermede zijn alle stukken beschreven. Ook voor het Chineesche schaakspel geldt evenwel het bekende woord:

„Savoir la marche est chose fort unie, Savoir le jeu, c’est le fruit du génie!”

Het spel De zwakste speler doet gewoonlijk den eersten zet. Zijn beide partijen tegen elkander opgewassen, dan beslist het lot, en begint rood. Bepaalde openingen bestaan bij het Chineesche spel niet. Wel zijn er een aantal vaste zetten, die men meestal in het begin van het spel doet, om de stukken vrij te maken, en tegelijkertijd de verdediging te versterken. Een daarvan is b.v. R cl-e3. Vervolgens c4-c5, en daarop g4-g5. Nu zijn deze beide pionnen gedekt door den Raadsheer, en deze op zijn beurt weer door den anderen Raadsheer. Nu kunnen de paarden vrij oprukken, terwijl de voortgang van de zwarte pionnen gestuit is. Maar het spreekt vanzelf, dat een geoefend tegenstander intusschen zetten gedaan heeft, die de kracht van deze stelling aantasten.... Verder is het raadzaam één der Officieren reeds in het begin van het spel op de e-lijn te zetten, waardoor de Generaal zich vrijer bewegen kan, en men niet in direct gevaar verkeert, als een Kanon van de tegenpartij op de e-lijn weet te komen. Sterke posities worden over het algemeen gevormd door twee Kanonnen achter elkaar op dezelfde lijn. en door twee Wagens, vooral natuurlijk wanneer zij op de e-lijn staan. Doch dit zijn niet meer dan eenige elementaire gegevens: alleen door het spel zelf te beoefenen zal men een inzicht krijgen in de vele mogelijke combinaties.

Daar de Generaal zich alleen binnen het Hoofdkwartier mag bewegen, is het tempo van het Chineesche schaakspel sneller dan het onze. Immers de verdedigingsstukken : Officieren en Raadsheeren, zijn op zich zelf niet voldoende om den Generaal te verdedigen tegen een aanval van b.v. Wagen en Paard van de tegenpartij. Daarom zal men goed doen, bij zulk een aanval zoo spoedig mogelijk de eigen aanvalsstukken van over de Rivier terug te trekken. Een aanval dadelijk met een tegenaanval beantwoorden is meestal gevaarlijk, daar men aanval en verdediging niet gemakkelijk combineeren kan. Ook dit is een belangrijk verschil met ons schaakspel.

105 Ten slotte ter illustratie van een en ander een Chineesch schaakprobleem. Het komt voor in de groote encyclopaedie San Ts’ai T’oe Hwei, en draagt den dichterlijken naam van Eul Loeng Tsj’oe Hai, „De beide Draken komen uit de Zee”. De stand is als volgt:

Wit: G e1, O dI, O e2, R cl, K e3, K a9, W h6, W f9, P h7.

Zwart: G e10, O d10, O e9, R c10, K e8, Ki1, P h2, W g2, W i2.

Wit begint, en zet Zwart in vier zetten mat.

Oplossing: 1. P h7-g9: W g2-g1 †; 2. W f9-f1; W g1 × P g9; 3. W fl-f10 †; G e10 × W f10; 4. W h6-h10.

Met dit algemeen overzicht moge ik hier volstaan. Naar ik hoop zal ook dit weinige voldoende zijn, om de aandacht up dit belangwekkende spel te vestigen. Het stelt, evenals ons schaakspel, hooge eischen aan de spelers. Niet alleen in intellectueel, maar ook in psychologisch opzicht. Want ook op het Chineesche schaakspel is Vondel’s woord van toepassing:

„Wie schaeckt, en niet verstaet wat spel beduit Verliest het veld, en raeckt ten schaeckbert uit”.