/wetenschappelijk/artikelen Rechter Tie / Robert van Gulik

Alle teksten en illustraties uit het werk van Robert van Gulik
zijn © Erven R.H. van Gulik

“Tijdschrift voor parapsychologie”, 1929, pp. 158-161


Chineesche Wonderverhalen

R.H. van Gulik


„Vooralsnog immers moet op dat gebied ons wachtwoord zijn : minder redeneeren en meer constateeren”1. Het is in den geest van boven aangehaalde woorden dat ik hoop te handelen, wanneer ik het waag eenige Chineesche wondervertelsels in dit tijdschrift weer te geven.

Het betreft hier een verzameling van circa 430 verhalen, samengebracht en naverteld idoor een zekeren P’u Sung Ling onder den naam van „Liao Chai Chih Yih” („Zonderlinge Verhalen uit mijn Studeerkamer”). Omtrent dezen schrijver is weinig bekend. Ik volsta hier met te vermelden dat hij ± 1650 leefde, en, hoewel hij begaafd was, geen succes had bij het doen van letterkundige examens (oudtijds in China de eenige manier om tot hooge ambten te komen). Dit verbitterde hem: hij trok zich terug uit het openbare leven, en hield zich verder bezig met het samenstellen van zijn werk, dat geschreven is in een vloeienden en groote belezenheid verradenden stijl. Zijn boek werd weldra zeer populair, en hoewel zijn financieële toestand den schrijver niet toeliet zijn boek bij zijn leven gedrukt te zien, zoo had dit althans na zijn dood plaats, in 1740. Hierna beleefde het werk nog verscheidene herdrukken2.

Het spreekt vanzelf, dat niet het heele boek even belangrijk voor ons is, hoewel alle verhalen waardevol zijn als een beschrijving van zeden. Ik zal trachten er uit te nemen welke zeer speciaal metapsychische verschijnselen behandelen, en vooral waar alle omstandigheden nauwkeurig beschreven zijn.

Tot beter begrip van de verhalen laat ik hier nog eerst eenige bijzonderheden over den schrijver en zijn werk volgen. Dat P’u Sung Ling zich zeer voor het bovenzinnelijke interesseerde moge blijken uit de volgende aangehaalde regels uit zijn voorbericht op het boek.

„Evenals de gouverneur van Hwang Chou (d.i. de bekende dichter Su T’ung Poh, 1036–1101) verheug ik me als de menschen bovenzinnelijke dingen bespreken; als ik dit hoor verzoek ik hen het op te tekenen, en vervolgens maak ik er een volledig verhaal van. Zoo hebben in den loop des tijds mijn vrienden uit verschillende streken des lands mij materiaal toegezonden, en daar ik er van houd dingen te verzamelen, heb ik er nu een overvloed van.

De mensch is op zichzelf niets buitengewoons, en toch zijn er in ons midden dingen, vreemder dan die welke plaats hebben in het land van hen die hun haar afsnijden3 ; voor onze oogen gebeuren dingen die in zonderlingheid verre overtreffen wat in ’t land der vliegende hoofden4 gebeurt......”

Ten slotte moge hier nog de inleiding volgen, welke T’ang Meng Lai bij zijn editie van het werk voegde. Dit naar vorm en inhoud echt Chineesche stuk geeft een goeden dunk van de waardeering van inheemsche geleerden voor de „Wondervertelsels”, en tevens geeft het aan hoe parapsychische verschijnselen zich aan den Chineeschen geleerde voordoen. Hierna meen ik tot mededeeling van de eigenlijke „Wonderverhalen” te kunnen overgaan.

„Er is een spreekwoord: Als hij een kameel ziet, noemt hij hem een paard met opgezwollen rug. Deze woorden, hoewel zeer eenvoudig, kunnen toch tot uitgangspunt strekken voor vèrreikende beschouwingen. De menschen noemen wat zij zien het bestaande, en wat zij niet zien, dat bestaat volgens hen ook niet. Zij zeggen dar dit gewoon is. Iets wat er het eene oogenblik is, en dan weer plotseling weg is, beschouwen zij als iets zonderlings. En toch, hoewel in het groeien en afsterven van boomen en planten, in de gedaanteverwisseling der insecten hetzelfde verschijnsel „zoo is ’t er, zoo is ’t er niet” optreedt: de mensch verwondert zich hier niet over, maar vindt alleen de dingen van de bovennatuurlijke wereld zonderling. Is zoo ook niet vreemd het geruisch van den wind en het bruisen der stroomen, daar er toch niets is dar het eerste in bewegingbrengt, niets dat aan het tweede geluid geeft? Wij zijn er aan gewend, en merken het niet meer op. We vinden duivels en vossen5 zonderling, maar den mensch vinden we niet zonderling. Maar wie is het die maakt dat de mensch zich beweegt, wie doet hem spreken? Iedereen antwoordt hierop : „Ik doe het”. Doch dit is slechts een zeer persoonlijke en betrekkelijke waarneming6. De oogen kunnen zien, maar ze kunnen niet zien waardoor ze zien. De ooren kunnen hooren, maar ze kunnen niet hooren door wàt ze hooren. En hoe zoude men nu kunnen hooren of zien datgene wat boven ons gewoon waarnemingsvermogen uitgaat? Wat men met de zintuigen waarnemen kan, beschouwt men als te bestaan; wat men niet daarmede waarnemen kan, verklaart men eenvoudig voor niet te bestaan. Maar hoever strekt nu precies dit waarnemingsvermogen? De menschen zeggen: Wat een bepaalde gedaante heeft, is een vorm; wat een substantie heeft, is wezenlijk. En ze weten niet, dat er dingen zijn die geen gedaante hebben en toch vormen zijn, en dat er onstoffelijke dingen zijn, die toch wezenlijk zijn. Vormlooze en onstoffelijke dingen kunnen niet opgevangen worden door het gewone waarnemingsvermogen, maar daarom mogen we hun bestaan nog niet ontkennen. Sommige menschen kunnen het oog van een muskiet zien, terwijl anderen zelfs den Tai Shan7 niet zien. Er zijn er die de mieren hooren vechten, anderen weer hooren het geluid van den donder zelfs niet. Het waarnemingsvermogen is zeer individueel. Men kan nog niet zoo maar lukraak iemand blind noemen. Volgens de bekrompen schoolmeesters wordt de mensch na zijn dood verstrooid als ware hij wind of vuur; begin of einde van zijn leven weet niemand in het rijk. Zj die wonderen gezien hebben zijn weinigen, die zich erover verwonderen echter velen, en het gezegde van het paard met opgezwollen rug is van toepassing alom in het rijk. Zij (n.l. de schoolmeesters) ontkennen al deze verschijnselen, omdat Confucius er niets over zeide, en ze twijfelen aan de betrouwbaarheid van werken als de Ch’i Chieh Chih Kwai en de Yü Ch’u Ri Yik8. Zij weten niet dat Confucius over zulke dingen alleen maar niet wilde spreken met menschen die geestelijk laag stonden. Maar voorzeker zoekt men in zijn eigen werk „Lente en Herfst” (d.i. een historisch-philosophisch werk van dezen wijsgeer) dergelijke verschijnselen niet tevergeefs.

P’u Sung Ling nu hield zich reeds in zijn jeugd met het wonderlijke bezig, en toen hij ouder werd had hij een diep inzicht in deze zaken. Hij deed „den wind onder zijn penseel oprijzen en de wolken wegdrijven” (d.i. hij had een zeer vloeienden en eleganten stijl), en zoo verzamelde hij alle mogelijke wonderverhalen en schreef ze neer in zijn vrijen tijd. Eertijds kreeg ik één deeltje van zijn werk in handen, en dit werd herhaaldelijk door mijn vrienden te leen gevraagd. Nu heb ik wederom een deeltje gekregen, en ik bemerkte, dat iK er slechts drie- of vier tiende van kende. De inhoud van die wonderverhalen is genoeg om de ijdele schoolmeesters de schellen van de oogen te doen vallen, maar wellicht is het met betrekking tot hen toch slechts „een vlinder van het ijs vertellen.” Ik zelf geloof niet dat die vreemde verschijnselen zoo wonderlijk zijn, en ik beschouw alleen dàt als tooverij wat de menschen schade doet. Want zonsverduisteringen, vallende sterren, de vlucht van reigers, de nesten van lijsters, sprekende steenen, of vechtende draken noem ik niet wonderlijk, terwijl ik onnatuur, ontijdig wapengeweld, trouwelooze staatslieden en roovers onder de kwade tooverij rangschik. Nu beschouw ik het boek van P’u Sung Ling als uitgaande van een grootsch beginsel: het toont steeds hoe de deugd beloond en de ondeugd bestraft wordt. En als een werk om onbekende terreinen te openen en de deugd te bevorderen mag men het boek zeker op gelijke lijn stellen met de Fa Yen van Yang Hsiung (een wijsgeer die leefde van 53 vóór tot 18 nà Chr.), waarvan Hwan Tan zeide dat het een algemeene bekendheid overwaard is.”


1 Dr. K. H. E. de Jong in zijn inleiding op Tenhaeff, Het Dierlijk Magnetisme, 1922.

2 Een groot deel van de verhalen werd vertaald door den bekenden sinoloog H. A. Giles. (Strange Stories from a Chinese Studio, London 1909). Evenwel moet men bij het gebruik van dit werk in aanmerking nemen dat alle erotische scènes, evenals ook enkele Chin. toelichtingen bij den text gevoegd, weggewerkt zijn of onvertaald gelaten.

3 Volgens een ouden Chin. geschiedschrijver een land in het Zuiden.

4 Een mythisch land.

5 In de Chin. en Japansche folklore wordt aan den vos een zeer groote tooverkracht toegekend. De Wonderverhalen loopen dan ook over deze dieren. Deze verhalen zal ik dan ook niet in dit tijdschrift weergeven, als zijnde meer bepsald betrekking hebbende op folklore. Belangstellenden verwijs ik naar Dr. M. W. de Visser, The Fox and the Badger in Japanese Folklore, Yokohama 1909

6 Dit zinnetje is moeilijk goed weer te geven. In den text staat letterlijk: „Dit is slechts het ik waardoor ik ik ben,” Giles vertaalt: „…is merely a personal consciousness of the facts under discussion.”

7 Een groote heilige berg in de provincie Shan Tung.

8 Twee werken over metapsychische verschijnselen.