/wetenschappelijk/artikelen Rechter Tie / Robert van Gulik

Alle teksten en illustraties uit het werk van Robert van Gulik
zijn © Erven R.H. van Gulik

“Tijdschrift voor parapsychologie”, 1929, pp. 280-281


Chineesche Wonderverhalen II

Tsjoeng Lie1

Het planten van de pereboom

R.H. van Gulik


Een boer verkoopt peren op de markt. Ze zijn zeer zoet en geurig, en de prijs is dan ook buitengewoon hoog. Daar komt een Taoistische monnik aan, in lompen gehuld; hij blijft voor de kar van den perekoopman staan, en vraagt een paar vruchten. De boer roept hem toe door te loopen, en als de monnik dan nog niet weggaat, wordt hij boos, en begint hij den monnik uit te maken voor al wat leelijk is. De bedelmonnik zegt: „Op deze wagen liggen een paar honderd vruchten, en ik arme vraag er slechts één van, wat u toch in het geheel geen schade berokkenen zal. Wat voor reden is er dus, u zoo boos te maken?” De omstanders sporen den koopman aan, om den monnik maar een wormstekige peer te geven, en hem dan te laten gaan. Maar de boer wil er niets van hooren. De marktopzichter echter, uit zijn humeur gebracht door dat gekrakeel, pakt een peer van de kar, en geeft hem aan den monnik. Deze neemt de vrucht met een dankbetuiging in ontvangst, en zegt, zich tot de menigte wendend: „Wij monniken zijn niet gierig. Ik heb prachtige peren en verzoek u allen mijn gast te willen zijn.” Iemand uit den hoop zegt: „Waarom eet gij ze zelf niet, daar ge ze toch hebt ?” — „Ik moet eerst de pit van deze vrucht planten,” zegt de monnik. Daarop neemt hij de peer in beide handen, en peuzelt hem op. Als hij de vrucht op heeft, houdt hij de pit in zijn hand, en het kapmes nemend, dat hij over zijn schouder droeg, maakt hij in de aarde een gat van eenige duimen diep. Daar legt hij de pit in, en doet er wat zand overheen. Dan vraagt hij aan de marktlui wat lauw water, om het te besproeien. Iemand, die wel van een grapje houdt, loopt naar een nabijzijnde winkel, en komt terug met een kom kokend water. De monnik sprenkelt nu wat water op de aarde. Alle omstanders kijken ingespannen toe. Na korten tijd zien ze een spruit opschieten uit den grond, die snel groeit en weldra een boom is geworden, met veel takken en bladeren. Spoedig komen er bloesems aan, vervolgens vruchten. De peren zijn groot en geurig, en de boom is er mee volgeladen, zoodat zijn takken onder den last buigen. De monnik plukt de vruchten, en deelt ze uit onder de kijkers; wanneer alle vruchten op zijn, neemt hij zijn kapmes weer, hakt den boom met een paar forsche slagen om, doet de blaren er af, en wandelt weg met den stam over zijn schouder.

Van het begin af aan had de boer tusschen de andere menschen met gespannen aandacht alle handelingen van den monnik gevolgd, terwijl hij zijn negotie heelemaal vergat. Eerst toen de monnik goed en wel weg was, wierp hij een blik op zijn kar, en zag dat er geen enkele peer meer op lag. Terstond bekruipt hem nu de vrees, dat de vruchten, die de monnik zoo vrijgevig hadt uitgedeeld, zijn eigen peren zijn geweest. Hij bekijkt zijn kar eens wat nauwkeuriger, en bemerkt nu, dat een der handboomen ontbreekt, en blijkbaar zoo juist van den wagen afgehakt is. Nu wordt de boer geweldig boos, en rent den bedelmonnik achterna, die hij juist den hoek van de straat ziet omslaan. In de straatgoot echter ziet de boer de afgehakte wagenboom liggen, en hij begrijpt nu, dat dàt ding de stam was van den pereboom, die de monnik had geplant.

De monnik evenwel was nergens meer te vinden, tot groot vermaak van de lieden op de markt2.


1 De in deze reeks arrikels voorkomende Chineesche woorden spreke men geheel uit als het Nederlandsch, dus b.v. oe als in boek, ie als in lied, ee als in steen, u als in turen, sj als in sjouwen, tsj als in mutsje, ch als in chaos. Ik maak echter enkele beperkingen. De door sz uitgedrukte sisklank worde door den lezer, zij het ook onnauwkeurig, gewoon als s uitgesproken, en aan de teekens ë en ê geve hij respectievelijk de waarde van onze e in hek en van onze kleurlooze vocaal in de. Voor den Sinologischen lezer merk ik nog even op, dat ik, bij mijn alle phonetische fijnheden verwaarloozende transcriptie der Chineesche karakters, mij in hoofdzaak naar de Noorderlijke Mandarijnentaal gericht heb, zonder rekening te houden met kleine verschillen, die zich overigens in de Noordelijke tongvallen voordoen.

2 Veel trekken van dit verhaal herinneren aan het bekende Indische mangoboom-kunstje.