/wetenschappelijk/artikelen Rechter Tie / Robert van Gulik

Alle teksten en illustraties uit het werk van Robert van Gulik
zijn © Erven R.H. van Gulik

“Tijdschrift voor parapsychologie”, 1930, pp. 111-114


Chineesche Wonderverhalen III

Chwa Pie1

De beschilderde muur

Vertaald door R.H. van Gulik


Meng Loeng T’an, uit de provincie Kiang-si, en de gegradueerde Tsjoe brachten eens een bezoek aan de hoofdstad. Toen zij daar zoo tezamen rondwandelden, kwamen zij bij een klooster. Het was niet bijzonder groot, en slechts door één haveloozen monnik bewoond. Deze, de gasten ziende aankomen, trok een mooi gewaad aan, en ging ze tegemoet. Hij leidde ze langs alle bezienswaardigheden, onder anderen een beeld van Tsje Koeng in de hal, waar de beide wanden prachtig waren beschilderd: het leek wel alsof alles leefde. De muurschildering aan den Oostkant stelde voor een groep hemelnymphen, verspreid tusschen bloemen. Een van haar droeg nog den jonkvrouwelijken haartooi, en plukte bloemen, met een zachten glimlach op haar gelaat. Haar kersroode mondje scheen even te bewegen, en haar oogen schitterden. Tsjoe stond er langen tijd met zoo gespannen aandacht naar te kijken, dat hij niet bemerkte, dat zijn geest hem verliet, en zijn gedachten ophielden. Plotseling was het als bevroor zijn denkvermogen, en als werd hij door de wolken gedragen, totdat hij zich in het schilderij op den muur bevond. Hij zag vele pagoden staan; hij was niet meer in de wereld der menschen. Een oude monnik predikte de Wet vanaf een hoogen zetel, en een dichte menigte luisteraars verdrong zich om hem heen. Tsjoe mengde zich ook onder de menigte. Na eenigen tijd voelde hij, dat iemand hem heimelijk aan zijn mouw trok, en zich omkeerend, zag hij het meisje met het loshangende haar. Lachend liep ze weg, en hij volgde haar op den voet. Zij ging langs een balustrade, die zich in veel bochten slingerde, en betrad ten slotte een klein vertrek. Nu durfde Tsjoe niet verder te gaan. Maar het meisje keek om, en wuifde met een bloem in haar hand, ten teeken dat hij moest komen. Hij volgde haar: in de kamer was niemand anders. Hij sloot haar in zijn armen, en zij bood niet veel tegenstand. Toen hij haar geliefkoosd had, ging ze heen, en sloot de deur, terwijl ze Tsjoe toeriep niet ongeduldig te zijn: in den nacht zou zij terugkomen.

Zoo ging het twee dagen, en de vriendinnen van het meisje bemerkten het. Zij gingen zoeken, en vonden Tsjoe. Spottend spraken zij tot het meisje: „Nu gij reeds een man hebt, is het ongepast dat gij uw haar nog onopgemaakt draagt”. Zij deden haar spelden in het haar, gaven haar oorversiersels, en voltooiden haar kapsel. Het meisje was beschaamd, en zeide niets. Een van haar vriendinnen sprak: „Meisjes, nu moeten wij niet te lang blijven: dat zouden zij niet prettig vinden !” Zij begonnen allen te lachen, en gingen heen. Toen Tsjoe haar bezag, vond hij haar nog veel schooner dan met het loshangend haar. Daar zij geheel alleen waren, naderde hij haar voorzichtig, en begon haar kleeren los te maken: de welriekende geur der gewaden bedwelmde zijn zinnen. En nog waren zij niet bevredigd, toen zij plotseling het stappen van zware laarzen hoorden, een gerammel van kettingen, en een geschreeuw van veel stemmen door elkaar, als was men aan het twisten. Ontsteld rees het meisje op, en gluurde met Tsjoe verstolen naar buiten. Daar zagen zij een geharnasten wachter, met gitzwart gezichten kettingen in zijn handen. Alle andere meisjes omringden bent. De wachter vroeg: „Zijn wij er?” De meisjes antwoordden: „Hier is het”. Nu zeide de wachter: „Als in deze kamer iemand verborgen is, laat hem dan te voorschijn komen, opdat ik hem doode!” Tsjoe en het meisje gaven geen geluid. De wachter boog zich voorover, en keek aandachtig. Hij scheen de kamer te willen gaan doorzoeken. Het meisje schrok hevig, haar gelaat was aschgrauw. Angstig sprak zij tot Tsjoe: „Haast u, verberg u onder die rustbank. Daar is een klein deurtje, waardoor ge zoo snel als ge kunt moet wegvluchten!”

Tsjoe verborg zich, zonder een moment te durven aarzelen. Hij hoorde een oogenblik, dat het laarzengestamp de kamer binnenkwam, en zich vervolgens weer verwijderde. Kort daarop stierf ook het geluid van de twistende stemmen weg, en werd hij wat geruster. Buiten de deur hoorde hij nog menschen spreken. Toen Tsjoe reeds langen tijd in die benauwde positie had verkeerd, begonnen zijn ooren te gonzen en zijn oogen te branden. Toch durfde hij het niet te wagen voor den dag te komen, en luisterde slechts, in afwachting dat het meisje zou terugkomen.

Al dien tijd stond Meng in de zaal: toen hij eens omkeek zag hij echter dat Tsjoe er niet meer was. Verbaasd ondervroeg hij den monnik. Deze sprak glimlachend: „Hij is weggegaan om te luisteren naar het uitleggen der Wet”. Meng vroeg waar dat was. De monnik zeide lachend: „Niet ver hier vandaan!” Na eenigen tijd zeide hij, terwijl hij op den muur wees: „Waarom komt Tsjoe niet terug, nu hij al zoo lang weg is?” Meng keek naar het schilderij op den muur, en zag daar nu Tsjoe afgebeeld, die voorover-gebogen lag, als luisterde hij ingespannen ergens naar. De monnik zeide: „Hij wacht al lang op zijn vriendin.”

Tsjoe nu had plotseling het gevoel als werd hij door een wervelwind opgenomen: hij werd uit het schilderij naar beneden gebracht. Zijn oogen staarden, en hij stond zwak op zijn voeten. Meng schrok hevig, en ondervroeg hem. Hij zeide slechts: „Onder de rustbank zittend hoorde ik een geklap, zoo hard als waren het donderslagen. Daarom ging ik uit de kamer, om te zien wat of er was.” Ze keken nu naar de bloemen plukkende hemeLnymphen op het schilderij. Die met den jonkvrouwelijken haartooi droeg echter nu het kapsel eener getrouwde vrouw. Tsjoe maakte verschrikt een buiging voor den monnik, en vroeg wat de oorzaak hiervan was. De monnik zeide glimlachend: „Al het wonderbaarlijke heeft zijn oorsprong in den mensch zelve2; Hoe zoude ik u dit kunnen verklaren?” Tsjoe was zeer terneergeslagen en verontrust, terwijl ook Meng geen verklaring voor het geval kon vinden. Toen stonden ze op, daalden de trappen af en gingen heen.


1 No. 1 en 2 verschenen in den eersten jaargang van dit tijdschrift. De vertaler dezer „wonderverhalen” is een Leidsch student in de Oostersche letteren. Zij zijn door hem, rechtstreeks, uit het Chineesch in het Nederlandsch vertaald.

2 Deze uitspraak moet als de kern van het verhaal beschouwd worden. Immers in een korte bespreking der vertelling, die in den Chineeschen tekst op het eigenlijke verhaal volgt, komt de volgende opmerking voor: „Hoe kunnen wij van anderen verlangen, dat zij de innerlijke bewegingen van ons binnenste verklaren, welke voor ons zelf onverklaarbaar zijn?” De zinsnede: „Al het wonderbaarlijke heeft zijn oorsprong in den mensch zelve” is de verklaring der „mystiek”. Deze woorden kwamen mij belangrijk voor om den achtergrond van dit verhaal te kunnen begrijpen. Van Gulik.